Untitled Document

 

 

 

 

Duizend jaar geschiedenis in enkele woorden

We zijn in de tweede helft van de Middeleeuwen, de tijd van ridders en kastelen.

In het Franse plaatsje Citeaux staat al enige tijd een abdij, dat is een zelfstandig klooster. De baas van zo'n abdij heet abt.
De monniken van deze abdij noemen zich, naar de plaats Citeaux, Cisterciënzers.

Vanuit Citeaux werden er op verschillende plaatsen nieuwe abdijen gesticht. Eén van deze dochterabdijen stond in Clairvaux. Daar was een jonge edelman, Bernardus, abt. Hij zou heel erg belangrijk worden voor de Cisterciënzers.

Er werd ook een abdij gesticht in Vlaanderen aan de kust, bij het huidige Koksijde: De Abdij Ten Duinen.

Nederland en België bestonden toen nog niet, zoals nu, als twee echte landen.
Onze streek (Zeeuws Vlaanderen) hoorde toen bij het graafschap Vlaanderen. In deze streek vond je kreken, inhammen van de Schelde, zandbanken en schorren. Dijken had je toen nog niet, zodat het land, waar de mensen woonden, regelmatig onder water liep.

De Graaf van Vlaanderen wilde de abdij best wel een kado geven. De monniken moesten dan maar veel bidden voor 'zijn zieleheil'. Hij moest dan niet zo netjes leven, want zijn zonden zouden hem toch wel vergeven worden, dat dacht men toen.

De Graaf gaf aan de Abdij Ten Duinen een groot gebied woeste grond kado, zelf kon hij er toch al weinig mee.
De monniken begonnen in korte tijd met het aanleggen van dijken en het bouwen van boerderijen in dit gebied. Voor zichzelf bouwden de monniken een zogenaamd 'uithof', dat is een soort klooster met kapel en graanschuren, op de plaats waar nu Kloosterzande ligt.

De oudere monniken en de zieken moesten soms weleens een tijdje rusten in de winter, soms moesten de monniken ook vluchten voor plunderende legers en vaak ook voor overstromingen, die nog steeds veel voorkwamen, daarom bouwden ze binnen de muren van een stad in de omgeving een vluchthuis. In Hulst staan er nog steeds drie.

De abdijen werden steeds rijker. Als de monniken een stuk land ingepolderd hadden, dan was de grond, door het zoute water, de eerste jaren nog niet te gebruiken om er iets op te zaaien. In de tussentijd hield men er kuddes schapen op. In de Vlaamse steden begonnen de mensen steeds meer om mooie wollen kleding te vragen, de wol van de schapen van de Cisterciënzers kon dus gemakkelijk met veel winst worden verkocht.

Een paar honderd jaar later, toen de tijd van ridders en kastelen langzamerhand voorbij was, begon de nieuwe tijd met een oorlog die maar liefst tachtig jaar duurde.

Karel V was toen de machtigste man van de hele wereld, hij regeerde over zowat heel het huidige Europa. Toen zijn zoon Philips hem opvolgde kwam die niet vaak meer in Gent, waar Karel V zijn belangrijkste hof had.
Philips bleef meestal in Spanje en de mensen in onze streken vonden eigenlijk, dat ze beter geregeerd konden worden door iemand uit de buurt, die wist wat er hier te doen was.
Daar kwam bij dat de Rooms Katholieke godsdienst niet langer meer de enige Christelijke godsdienst was.

Tijdens die lange oorlog werd de uithof in Kloosterzande nu en dan zwaar beschadigd. In 1609, er was toen voor een korte tijd vrede (12 jaar), werd de kapel van de uithof helemaal hersteld. Maar de Cisterciënzers konden niet meer op reis vanuit hun abdij naar Kloosterzande. Ze gaven de kapel dan ook aan de mensen van Kloosterzande, als kerk.

Bijna veertig jaar later op 4 november 1645, werd Hulst veroverd door Prins Frederik Hendrik. Het uithof van Kloosterzande heette voortaan het 'Hof te Zande' en het vluchthuis binnen de stadswallen van Hulst noemde men 'Princehof'
Nog eeuwen lang is het Hof te Zande in het bezit gebleven van de familie van Frederik Hendrik: 'De Oranjes'.

Nog steeds vinden we sporen van de familie van Frederik Hendrik rond het Hof te Zande.

In en rond de Protestantse kerk van Kloosterzande, want daar lag het uithof van de Cisterciënzers, kun je nog goed merken, dat het een uithof geweest is.
Omdat de Cisterciënzers overal abdijen en kloosters bouwden hadden ze een eigen bouwstijl ontwikkeld van zelf gebakken baksteen.
Deze stenen noemt men 'kloostermoppen'
Om de randen onder het dak wat te versieren bakte men stenen met een versiering. Loop er maar eens rond en kijk goed naar de verschillende vormen stenen, aan het dak en rond de ramen.

 


Hof te Zande in 1856 door Jan R Haak (olieverf op doek)


Je hebt nu een stukje over de geschiedenis van de Kerk in Klooster gelezen. Je kunt je kennis testen met een korte quiz. Klik hier voor de quiz »

RvdE mei 2008